Collection

BROODTHAERS, MARCEL

Marcel Broodthaers (Sint-Gillis, 28 januari 1924 – Keulen, 28 januari 1976) was een Belgisch dichter en beeldend kunstenaar. Hij verwierf bekendheid met surrealistische accumulaties, objecten en environments. Zijn werk is veelal triviaal, ironiserend en literair in zijn verwijzingen. Hij mengt in zijn werk conceptuele kunst, waarbij het idee belangrijker is dan het kunstwerk als object, met de gerichtheid op dagelijkse voorwerpen van het Nouveau réalisme en een kritische reflectie op de rol van kunst en kunstenaar in de maatschappij.

Broodthaers kreeg pas in ‘zijn tweede leven’ als beeldend kunstenaar erkenning. Het eerste als dichter beschouwde hij als mislukt: de vier gepubliceerde dichtbundels kenden weinig succes. De overgang naar een ander medium, de beeldende kunst, markeert hij in 1964 met zijn eerste beeldend werk Pense-Bête, een dichtbundel gedompeld in een plaasterbad. Deze bundel bevat een tekst “La Moule”: “Cette roublarde a évité le moule de la société. Elle s’est coulée dans le sien propre. D’autres, ressemblantes, partagent, avec elle l’anti-mer. Elle est parfaite”. Hierin komt Broodthaers’ fascinatie tot uiting voor het verband tussen “mossel” en “mal”, in het Frans allebei “moule” genoemd. In 1966 komt hij erop terug tijdens een Antwerpse tentoonstelling met een theorema verwijzend naar René Magrittes werk “La trahison des images”: “Een mossel verbergt een mal en vice-versa. De pijp van Magritte is de mal van de rookpluim”.

Daarna maakt hij werken als “Grote snoepbokaal” (1965), “Rode mosselen in de pot” (1965), “Eierschalen met speld” (1965) en “Spiegel, witte omlijsting met eieren” (1966-1967) die vrij vlug een plaats vonden in de Kunstverzameling Alla en Bénédict Goldschmidt.

Ondanks alles is Broodthaers toch een literair denkend kunstenaar gebleven zoals blijkt uit zijn werk “MUSEUM enfants non admis” (MUSEUM kinderen niet toegelaten) uit 1968-69. Met humor, poëzie en een kritische blik onderzoekt hij het functioneren van kunst in verschillende contexten. Zijn werk geldt in veel opzichten als richtinggevend voor de ontwikkeling van de beeldende kunst van de jaren 80 en 90 van de 20e eeuw. Hij heeft een richtsnoer aangegeven voor een kunst die haar sociale betrokkenheid mee vorm geeft zonder haar aanspraak op haar eigenheid op te geven en altijd opnieuw uitvindt: „Il resterait alors à savoir si l’art existe ailleurs que sur un plan négatif.“ (Marcel Broodthaers)
.